Internet als een democratisch medium revisited

In een vorige post vertrok ik van het gegeven van de digitale kloof om het democratische karakter van digitale journalistiek te bespreken. Dit ging dus over hoe men toegang heeft tot het internet. Nu ga ik de actieve kant van het internet als democratisch medium onderzoeken. Met actief bedoel ik hoe het internet en hoe internet journalistiek gebruikt kan worden voor politiek activisme. Meer bepaald, ik stel de vraag of het internet ook een democratisch effect heeft op de vierdemachtsrol van journalistiek en dus of het de gewone mens de macht geeft om corruptie of ongelijkheid tegen te gaan.

Er zijn verschillende manieren waarop het internet invloed heeft op de interactie tussen de burger en politiek. Enkele voorbeelden zijn hoe overheidsinstanties hun diensten meer online gaan aanbieden en hoe een groot deel van campagnevoeren tegenwoordig online gebeurt (een bekend voorbeeld is Obama’s campagne). Ik ga eerder kijken naar hoe burgers zelf het internet gebruiken voor politieke doeleinden.

14577158681_30575c6e4d_o

Internetactivisme? Clicktivism en slacktivism.

De waarschijnlijk meest bekende en meest verspreide bron van internetactivisme is Avaaz. Op deze website worden petities en (digitale) handtekeningen verzameld die dan sociale, politieke en legale gevolgen hebben. Als je je digitale handtekening geeft, dan wordt er een email gestuurd in jouw naam naar diegene naar wie de petitie gericht is. Avaaz wordt wel eens geridiculiseerd als ‘clicktivism‘ en ‘slacktivism’ (Morozov 2009). Deze kritiek is gebaseerd op twee argumenten. Het eerste argument is dat als je mensen het gevoel geeft dat ze actie ondernemen door op een knop te klikken, dan gaan niet meer geëngageerd zijn om ‘in het echt’ actie te ondernemen. Online activisme wordt hier dus voorgesteld als een manier om het geweten te sussen zonder echt actie te hoeven ondernemen. Het tweede argument is dat websites zoals Avaaz (en er zijn er ook anderen zoals 38degrees en Hacked Off) zich alleen maar met trendy kwesties bezighouden, waardoor andere minder trendy kwesties aan de kant geschoven worden.

In een artikel van The Guardian horen we een stem van de andere kant, namelijk die van Ricken Patel, een van de oprichters van Avaaz. In dit interview komen we antwoorden op de twee argumenten tegen. Patel gaat niet in directe dialoog met Morovoz en White maar de interviewer vraagt Patel achter zijn mening over gelijkaardige kritieken. Het artikel begint met een schets van een straatmanifestatie die onderdeel was van de protestactie van Avaaz tegen de Murdoch-monopolie in de Britse media. Nadat we te weten komen hoe Avaaz meer doet dan alleen maar online petities verzamelen worden de kritieken van ‘clicktivism’ en ‘slacktivism’ aangehaald.

“Angry about racism, the war in Afghanistan and foie gras?” asked a sarcastic Rod Liddle last week in an article about Avaaz’s clicktivist ally, 38 Degrees. “Just press a key and they’re gone -congratulations!” But Patel thinks this kind of debate misses the point. “It’s important to look beyond the technology,” he says. “You click when you go on iTunes or eBay, but nobody disputes that these sites have changed commerce.”

En deze veranderingen kunnen we inderdaad voelen buiten alleen maar in de vorm van gewetensrust. Zo wordt er in het artikel uitgelegd hoe de Murdoch campagne een succes was. Deze campagne van Avaaz bestond uit de volgende stappen. Samen met 38 Degrees heeft Avaaz 60.000 klachten ingediend bij Ofcom toen ze een merger met BSkyB begonnen te overwegen. Daarna hebben ze 50.000 email’s gestuurd naar David Cameron en minister van cultuur Jeremy Hunt. Elke email vroeg naar een onderzoek in de mogelijke merger. Nadat Jeremy Hunt besloten had dat de merger geen probleem zou vormen voor Sky’s onafhankelijkheid op het gebied van redactie, hebben ze nog eens 40.000 klachten gestuurd en zijn ze met hun protesten en straatacties begonnen. Deze acties, samen met hun initiële petitie die ondertekend werd door 160.000 mensen, zijn volgens Avaaz de reden waarom de merger uiteindelijk niet doorging.

1445028783500

Ook David Putnam van de Labour partij heeft enkele dingen te zeggen over hoe efficiënt en professioneel Avaaz te werk gaat. Door geld te verzamelen via donaties (Avaaz wordt financieel alleen gesteund door donaties van particulieren) heeft Avaaz drie onderzoeken naar de beste manieren om de merger op een legale manier te ondermijnen kunnen betalen. Door hun degelijke en uitgedachte aanpak heeft Avaaz, volgens Puttnam, daadwerkelijk een positieve invloed op de democratie:

Meanwhile, argues Puttnam, as a result of Avaaz’s campaign, “the process of government will never be the same again. Any responsible government adviser will now have to factor in the possibility of a crowd-sourced legal action before making a similar decision.”

Het antwoord tegen de kritiek dat op een knopje klikken alleen maar je geweten sust is dus dat desondanks het gemak, dit soort acties wel daadwerkelijk gevolgen hebben, en is dat niet het belangrijkste? Het probleem met het eerste argument is dat het rest op een slechte causale redenering. De gedachte achter het argument is dat omdat iets gemakkelijk is, het minderwaardig is. In een Katholiek kader is dit misschien wel te ondersteunen maar in het kader van politiek activisme is deze redenering minder verdedigbaar. Ik veronderstel dat in deze context men eerder een gevolgenethiek zal volgen dan een deontologische ethiek, namelijk dat het eerder de gevolgen zijn die tellen dan een universeel ethisch kader die men moet volgen, irrespectief van de gevolgen. En als het de gevolgen zijn die tellen, dan kan op een knopje klikken dus wel een goede manier van actievoeren zijn.

Nu, om even advocaat van de duivel te spelen, er is wel een andere manier waarop men het gemak-aspect kan gebruiken als basis voor een kritiek. Omdat het zo gemakkelijk is om op een knop te klikken kan het zijn dat mensen mee dingen gaan veranderen zonder er eigenlijk volledig achter te staan. Als ze meer over de kwestie zouden weten, zouden ze misschien niet op het knopje klikken! Het gemaksaspect is dus niet een negatief gegeven op zich, in een kader van gevolgethiek. Het probleem ligt erin dat mensen, vanwege het gemak, misschien iets gaan steunen waarmee ze niet akkoord gaan als ze er eerst over hadden nagedacht en zich meer hadden geïnformeerd.

In conclusie, en dit komt ook van persoonlijke ervaring met online petities zoals die van Avaaz, voordat men een online actie steunt moet men goed geïnformeerd zijn over de meerdere kanten van de kwestie. Bij petities op Avaaz.org krijg je meestal wel een lijstje met artikels over de kwestie maar die zijn vaak eenzijdig. Ik heb vaak een petitie aan de kant laten liggen omdat ik er niet genoeg informatie over kon vinden, waardoor ik dus niet helemaal zeker kon zijn of het steunen van de petitie bij mijn eigen overtuigingen aansloot. Stel bijvoorbeeld dat je een petitie voor je neus krijgt om de vislimieten te verlagen in Europa maar er staat nergens of dit vissers gaat beletten om ergens anders, waar er misschien geen limieten zijn, meer te gaan vissen waardoor uiteindelijk de populatie van de vissoort er meer onder gaat lijden.

In verband met het tweede argument heeft Patel het volgende te zeggen:

Patel also feels it’s unfair to suggest Avaaz is too middle-of-the-road, or unengaged with niche issues. When Avaaz was founded, he did initially fear it would be “dishwater-centrist, never taking a side or a stance”. But four years on, he argues, they’re often fighting quirky, unexpected campaigns, such as the one this week that calls for a reform of European fishing quotas. “People can get mobilised by the most unfashionable things,” Patel says, recalling a 2009 campaign for energy-efficient refrigerators.

Patel zegt hier dus dat het niet het geval is dat Avaaz zich alleen maar bezighoudt met trendy zaken maar eerder dat ze mensen ook geïnteresseerd krijgen in meer ‘niche’ onderwerpen zoals de hervorming van Europese visquota’s of energie-efficiënte koelkasten.

Bibliografie

Kingsley, P. (2011) ‘Avaaz: Activism or slacktivism?’ in The Guardian, published online, URL: http://www.theguardian.com/world/2011/jul/20/avaaz-activism-slactivism-clicktivism

Morovoz, E. (2009), ‘Foreign Policy: Brave New World of Slacktivism’, in NPR, published online, URL: http://www.npr.org/templates/story/story.php?storyId=104302141

White,M.  (2010) ‘Clicktivism is ruining leftist activism’, in The Guardian, published online, URL: http://www.theguardian.com/commentisfree/2010/aug/12/clicktivism-ruining-leftist-activism

Taylor, P.A. (2005) ‘From hackers to hacktivists: speed bumps on the global superhighway?’, in New Media & Society, Vol7(5):625–646

Economische gevolgen van nieuwe media in de journalistiek

Een onderwerp dat ik nog niet heb besproken in betrekking tot nieuwe media en journalistiek zijn de economische gevolgen van de digitalisering van journalistiek. Er zijn evidente vragen die naar boven komen wanneer we nadenken over de economische kant van dit onderwerp: Hoe kunnen we geld verdienen aan nieuwsberichtgeving als al het nieuws online staat? Als de consument meer keus heeft, moet de producent meer plooien naar de wil van de consument; kiest de consument vanaf nu hoe en welk nieuws aan bod komt? Gaan we een journalist evenveel betalen als we online een hoop mensen tegenkomen die hetzelfde (?) werk doen maar gratis? enzovoort… Omdat er te veel aspecten zijn om over te praten in één blogpost zal ik maar een bepaalde gevolg ervan bespreken.

In deze post ga ik in discussie met een academisch artikel over de  economische kant van hyperlinks (in relatie tot weblogs, waar hyperlinks als bronreferentie dienen).  Ik kijk ook naar wat twee grote figuren van beide kanten van het debat, namelijk Eric Schmidt, de CEO van Google, en Jim Kennedy van de Associated Press, te zeggen hebben over linken naar nieuwsartikels.

Hyperlinks

Dellarocas et al. (2013) refereren naar Blood (2002) om het gebruik van hyperlinks in blogs aan te halen:

Hyperlinks enable content creators to substitute or complement their own content with links to thirdparty content. Links are usually accompanied by a summary or commentary related to that content. Using links in this manner is common among bloggers and other producers of social media, who use them as a mechanism for building a community and engaging with each other’s ideas (Blood 2002).

Onder de Amerikaanse wetgeving kan men naar het ‘First Amendment’ verwijzen om dit soort gebruik van ander man’s artikels te verantwoorden. Met dit als ‘bescherming’ hoeft men geen toestemming te krijgen en geen royalties te betalen. Over het algemeen is het voordelig voor de originele makers van het artikel dat wordt gelinkt om meer bezoekers te krijgen. Dit is dus een positief gevolg van gelinkt te worden door anderen (zie Dewan et al. 2004 voor een bespreking van grote ‘content aggregators’ en Jarvis 2008 voor een betoog dat dit voordelen met zich meebrengt voor de makers van de inhoud van de artikels).

In de context van het internet brengt hyperlinken dus een groot voordeel met zich mee maar in de context van traditionele media heeft het ook een groot nadeel. Kranten en omroepen zijn traditioneel gefocust op het maken van inhoud. Als je dan een hoop mensen hebt die naar jouw inhoud linkt, dan kun je zeggen dat deze mensen gratis gebruik maken van jouw inhoud, die jouw geld heeft gekost. Zo heeft in 2009 de Associated Press (AP) Google beschuldigd van hun winst te stelen door gratis gebruik te maken van hun inhoud.

Google sends 1 billion clicks a month to newspapers–that’s 400 clicks a second. “The point is not to shut down traffic,” says Kennedy. “The point is that Google should not be hypersyndicating content.” AP stories are being “scraped, copied, devalued and shared without limit,” he says.

-Jim Kennedy, director of strategic planning AP

Deze quote moet uitgelegd worden. Kennedy zegt dus dat het doorsturen van mensen naar kranten websites niet problematisch is. Wat wel een probleem is, is dat Google inhoud ‘hypersyndicate’. Wat betekent dit? Hiervoor heb ik een definitie moeten opzoeken:

Content Hyper-Syndication:
1. A business model meant to make professionally produced content available in open and portable channels.

Het probleem hier is dus dat dit een business model is dat de originele content op andere manieren, namelijk in ‘open’ en ‘draagbare’ media, aan de dag brengt. Deze andere manieren zorgen ervoor dat deze originele content dus ‘scraped, copied, devalued and shared without limit’ wordt. Om samen te vatten: door via andere media de content van nieuwsartikels beschikbaar te maken gaat Google de manier waarop kranten geld verdienen ondermijnen want kranten verdienen juist geld door mensen te doen betalen om deze content te kunnen verkrijgen.

Google spreekt

In een interview met Adam Lashinsky van Fortune zegt Eric Schmidt, de CEO van Google, dat Google de kranten zou willen ‘helpen’ met hun economische situatie maar dat het moeilijk is om te zeggen hoe ze dat zouden kunnen doen.

Google can’t make the cost of newsprint go down. We also can’t materially change the way consumers behave, and consumers are in fact moving their lives online. We have been able to send clicks to their Web sites, which they can monetize. So that provides some revenue. The problem is that doesn’t provide enough revenue to offset the loss of the other revenue.

Volgens Schmidt zijn er twee problemen voor print nieuws, namelijk dat de consument zijn nieuws online zoekt en dat de kosten van het printen te hoog zijn. Google zou door mensen naar nieuwswebsites door te sturen de kranten ook helpen omdat meer bezoekers meer winst betekent. Mensen zijn nog altijd op zoek naar nieuws zegt hij.

They don’t have a problem of demand for their product, the news. People love the news. They love reading, discussing it, adding to it, annotating it.

Die laatste drie aspecten zijn duidelijk verwant aan de nieuwe manier waarop het nieuws op het internet aan de man komt. Deze uitspraak lijkt op een reclame zinnetje voor Google: ‘mensen vinden het leuk om het nieuws te bespreken, te becommentariëren en er dingen aan toe te voegen, het internet (en dus Google) maakt dit mogelijk.’

Schmidt noemt ook enkele dingen op waarmee Google de winstmarge van de kranten in de hand probeert te werken. Zo zegt hij dat zij een ‘mechanisme’ hebben om abonnementen te promoten maar dat mensen juist op het internet naar nieuws zoeken omdat het gratis is. Daarnaast hebben ze geprobeerd om de producten van kranten meer te integreren met de producten van Google. Google heeft ‘tools’ om het voor kranten gemakkelijker te maken om geld uit hun klanten te halen maar deze kleine hulpmiddeltjes zijn geen oplossing voor het de twee fundamentele problemen: consumentengedrag is meer online gericht en het kost te veel geld om een krant te drukken.

Spijtig genoeg legt Schmidt niet verder uit hoe Google met dit mechanisme en deze integratie kranten eigenlijk heeft proberen te ‘helpen’. Zonder deze uitleg is het moeilijk om te zien tot welke mate deze hulpverlening een serieuze doelstelling was. Schmidt zijn antwoorden op de volgende vragen lijken eerder aan te tonen dat het helpen van de kranten alleen maar een gevolg zou zijn van een zakenmodel waar Google geld uit kan verdienen.

Adam Lavinsky vraagt ook of er meer structurele plannen zijn. Hij stelt voor om de kranten te kopen of om er geld in te pompen (zoals Microsoft ooit heeft gedaan met Apple), waarop Schmidt antwoordt dat ze daar geen plannen voor hebben omdat de juiste criteria hiervoor niet in plaats zijn. Wat deze criteria zijn komen we ook niet te weten. Op de vraag of er andere mogelijkheden zijn antwoordt Schmidt dat er non-profits zijn die bedrijven steunen die een publieke dienst vervullen of dat de kranten onderdeel kunnen worden van grotere bedrijven (zoals de Washington Post onderdeel is van de Graham Holdings Company en hun publicaties hebben verkocht aan Amazon CEO Jeff Bezos). Maar er wordt niets gezegd over hoe Google hier mee kan helpen.

Lavinsky stelt dan de prangende vraag: en wat met google.org, de non-profit van Google?

Waarop Schmidt antwoordt:

We didn’t want to co-mingle philanthropy with business. We are in the advertising business.

But you do believe it’s important that newspapers survive?

Not only do we believe that, but I’ve been outspoken about it because I want everyone to get that. The fundamental question you’re asking is why does Google not write large checks to newspapers? We’re careful at Google with our money. We write large checks when we have a great strategy. And we don’t yet have that strategy.

Bibliografie

Dellarocas, C., Katona, Z., Rand, W. (2013) ‘Media, Aggregators, and the Link Economy: Strategic Hyperlink Formation in Content Networks’ in Management Science 59(10):2360-2379.

Dewan R.M., Freimer M.L., Seidmann A., Zhang J. (2004) ‘Web portals: Evidence and analysis of media concentration’ in J. Management Inform. Systems 21(2):181–199.

Jarvis J (2008) The link economy vs. the content economy. Buzzmachine
Blog (June 18), URL: http://www.buzzmachine.com/2008/06/18/the-link-economy-v-the-content-economy/.

Karp S (2007) The Web’s link-driven attention economy. Publishing
2.0 (December 15), URL: http://publishing2.com/2007/12/15/the-webs-link-driven-attention-economy/.

Lashinsky, A. (2009) CEO Eric Schmidt wishes he could rescue newspapers.
Fortune (January 7), URL: http://archive.fortune.com/2009/01/07/technology/lashinsky_google.fortune/index.htm

Smillie, D. (2009) Google vs. the News. Forbes (April 6), URL: http://www.forbes.com/2009/04/06/google-ap-newspapers-business-media-copyright.html

Swipen, scrollen, zien en horen: is er nog plaats voor woorden?

In een gastlezing van Kris Van Hemelryck voor het college Nieuwe Media en Mediaconvergentie, kwamen er interessante cijfers aan bod. De leidraad tussen deze cijfers en grafieken was dat mensen hun smartphone, tablet of pc meer gebruiken om het nieuws te bekijken en lezen dan andere de traditionele media zoals krant, radio en televisie.

mobile_vs_tv_1_v1b-1

Dit brengt met zich mee dat de journalist over nieuwe manieren beschikt waarmee hij het nieuws kan brengen. Het grootste verschil tussen een krant en een smartphone is dat de laatste interactief is. Je kan op dingen klikken, je kan scrollen, je kan zelfs iets posten, commenten en zo zelf participeren in de nieuwsberichtgeving. Hierdoor kan de journalist heel veel leuke interactieve manieren verzinnen om het nieuws aan de mens te brengen (voor enkele voorbeelden, zie verder). Een ander aspect is dat je smartphone weet waar je bent (tracking), waardoor de (lokale) nieuwsberichtgeving automatisch kan afgesteld worden op je locatie.

2-For-many-mobile-means-more-news

Een ander groot verschil is dat er meer plaats is voor beelden, en dat er ook video’s kunnen worden weergeven. De volgende slides werden gebruikt in Van Hemelryck’s presentatie:

pasted-from-clipboard

pasted-from-clipboard

Spijtig genoeg is er geen bron vermeld voor deze cijfers. Op deze afbeeldingen staan trouwens enkele stellingen die elkaar tegenspreken. ‘No one reads’ maar er worden dagelijks wel gemiddeld 100,500 woorden digitaal geconsumeerd per Amerikaan. De stelling dat 79% van de Amerikanen het web scannen ‘in de plaats van elk woord te lezen’ kan de andere twee stellingen verklaren. De term ‘reads’ wordt dus genomen als elk woord lezen. Als we deze definitie nemen denk ik dat er bijna niemand, buiten misschien redacteurs, journalisten en anderen met een professionele of academische interesse voor journalistiek, de krant ‘leest’.

Ook de stellingen in de tweede afbeelding zijn problematisch. Om de thesis te verdedigen dat je beter iets toont (met multimedia) dan erover te schrijven (omdat mensen dit liever hebben) staan er de volgende cijfers: nieuwsberichten met multimedia krijgen 77% meer reacties en er wordt drie keer meer gelinkt naar blogposts met video’s dan naar posts zonder video’s. Beide cijfers zeggen ons niet of mensen nu liever het nieuws te weten komen via multimedia of via tekst. In verband met het eerste cijfer: multimedia lokt misschien gewoon sneller reacties uit. Als een journalist een goed geargumenteerde verklaring van een feit neerschrijft dan zal dit waarschijnlijk minder reacties uitlokken dan een video van het feit. Dit kan verder verklaard worden, bijvoorbeeld, door aan te halen dat mensen altijd op zoek zijn naar een verklaring en als deze er niet is, ze er zelf een zullen voorstellen. Het verschil in reacties kan dus evengoed een teken zijn van een verschil tussen de formats tekst en video, namelijk dat het laatste geen (of niet altijd een) verklaring geeft. In ieder geval, het cijfer zegt ons dus niet noodzakelijk iets over hoe de consument liefst het nieuws verteert.

Voor het cijfer dat er drie keer meer wordt gelinkt naar blogposts met video’s zijn er ook meerdere verklaringen mogelijk die geen betrekkingen tot mensen hun voorkeur in nieuwsberichtgeving. Misschien linken mensen meer naar posts met video’s dan naar posts met enkel tekst simpelweg omdat ze gemakkelijker iets te zeggen hebben over een video. Je lezer een link geven naar een video zal haar ook minder afschrikken dan een link naar en volle tekst, enzovoort.

De nieuwe journalist

Laten we even de bovenstaande bedenkingen aan de kant schuiven en de thesis aanvaarden dat mensen in het algemeen niet meer op zoek zijn naar tekstartikels maar eerder naar crossmediale manieren om het nieuws te weten te komen. In Van Hemelrycke’s presentatie zijn er veel voorbeelden van interessante gebruiken van multimedia om het nieuws aan de consument te brengen. Hier zijn er enkele:

http://www.theguardian.com/world/interactive/2013/may/26/firestorm-bushfire-dunalley-holmes-family

http://extras.thetimes.co.uk/public/2014/maps/25-02/Yanukovych_storymap.html

http://www.wheredoesmymoneygo.org/

http://www.theguardian.com/world/interactive/2011/mar/22/middle-east-protest-interactive-timeline

Het eerste wat opvalt is dat een heel groot deel van de informatie hier nog altijd geschreven is en dat de multimedia aspecten eerder een ondersteunende functie hebben. Wanneer de multimedia de echte informerende functie overnemen (in de voorbeelden van Van Hemelryck) lijkt de journalistieke waarde er toch onder te lijden. Zo heb je nieuwsgames:

darfur_village

Darfur is Dying

pirate-fishing-658x373

Pirate Fishing

Save Charlie

Of ‘scrollytellying’:

The Boat van Nam Le in interactieve versie

Snow Fall

Het gevaar van deze vormen van vertellen als medium voor journalisten is dat het te veel in functie van entertainment en emotionele betrokkenheid werkt. Het medium van games, bijvoorbeeld, is gebaseerd op, en wordt meestal gebruikt voor, de functie van je dingen te doen ervaren. Dit is iets anders dan dingen te weten te komen. Je kan zo wel nieuwe dingen te weten komen maar dit lijkt mij toch niet de beste manier om het nieuws mee te delen. Deze media lijken eerder terug geschikt voor de nieuwsartikels te ondersteunen en om mensen die op een andere manier, als in buiten de artikels te lezen, meer met het nieuws bezig willlen zijn. Hiervoor zijn er twee redenen. Ten eerste, als je een medium gebruikt dat vooral voor entertainment en het opwekken van emotionele betrokkenheid geschikt is dan gaat het moeilijk zijn om op een droge en feitelijke manier het nieuws voor te stellen. En dit is nog altijd de manier waarop de meeste mensen het nieuws willen te weten komen. Ten tweede, de hoeveelheid informatie die je kan meedelen wordt gelimiteerd door deze twee functies. Bij nieuwsmededeling zou het format juist in functie moeten staan van informativiteit. Daarom lijkt tekst nog altijd het beste medium om deze rol te vervullen.

Tekst is koning

Uiteindelijk lijken crossmediale berichtgevingen niet echt een bedreiging voor goede oude tekstjournalistiek. Tekst is nog altijd de snelste, efficiëntste, bruikbaarste en eenvoudigste manier om informatie mee te delen met het publiek. Zo kan je in een paar zinnen beschrijven wat er gebeurd in een minutenlange video. Je kan ook zeggen waar de video van komt, wie hem gemaakt heeft en wat de context ervan is. Video’s en foto’s zijn goed als complementair materiaal voor je artikel. Het gebruik van foto’s is dan ook niets nieuws in kranten en links naar video’s komen ook veel voor op nieuwswebsites maar foto’s en video’s vervangen de tekst niet. De nieuwe journalist moet dan ook zijn oude stiel niet verleren. Een goede journalist is nog altijd iemand die goed kan schrijven.

In deze blogpost heb ik een lagere wordcount dan in de vorige posts. Wel heb ik meer links en foto’s. Mijn schrijfstijl is automatisch minder academisch en ik verwijs naar minder bronnen. Mijn vraag naar de lezer toe is dan of dit deze post minder of meer informatief doet lijken en of men het een interessantere of oppervlakkigere manier van informatie meedelen vindt.

De plaats van de journalist in de convergerende newsroom

Dingen convergeren wanneer ze eerst gescheiden waren en dan samenkomen. We zien dit gebeuren met media en met technologieën. Een bekend voorbeeld van technologische convergentie is de smartphone. Hier zien we hoe de telefoon samenkomt met een computer, een muziekspeler, een elektronische agenda, etc en zo iets nieuws vormt Convergentie gebeurd ook op economisch vlak. In de media zien we hoe een omroep soms ‘convergeert’ met een uitgever of een productiehuis met een telecombedrijf (bijvoorbeeld de niet-zo-succesvolle merger van AOL en Time Warner). Er is ook sprake van convergentie op sociaal-cultureel vlak. Dit gebeurt in sociale media, bijvoorbeeld, waar de grenzen tussen het private en het publieke domein vervagen. Men kan dus zeggen dat deze twee culturele sferen convergeren aan de hand van technologische en media ontwikkelingen. Wat we ook tegenkomen is convergentie op het vlak van inhoud van media. Denk bijvoorbeeld aan hoe verschillende genres convergeren (infotainment, reality-soap-opera’s) of aan hoe verschillende formats (muziek, film, fotografie, print, games) in nieuwe media zoals visual novels, interactive novels en hypermedia samenkomen. Ook juridische convergentie gebeurt in verband met media. Een voorbeeld hiervan is wanneer, zoals in België, de federale overheid zowel als de gemeenschappen de wetgeving over telecommunicatie beheren. Een ander voorbeeld is hoe de media en telecomsectoren zijn geconvergeerd en hoe dit de wetgeving beïnvloedt.

De ‘convergerende’ journalist en newsroom convergentie

Wat is nu het gevolg van zo’n convergenties in het medialandschap voor journalistiek? Wel het antwoord is redelijk simpel en voor de hand liggend: de journalist zal zelf ook verschillende media en disciplines en genres moeten combineren. Redacties en andere instanties verantwoordelijk voor nieuwsproductie zullen hetzelfde moeten doen. Dit brengt nieuwe mogelijkheden en voordelen met zich mee maar tegelijkertijd ook beperkingen en nadelen.

Larrondo et al. (2014) hebben een vergelijkende studie gedaan naar newsroom convergentie in Europa. Hun startpunt zijn de moeilijkheden die mediaconvergentie met zich meebrengt voor publieke omroep. In hun studie vergelijken ze BBC Scotland, de Catalaanse CCMA (Corporación Catalana de Medios Audiovisuales), de Spaans-Baskische EITB (Euskal Irrati Telebista), de Noorse omroep NRK (Norsk rikskringkasting) en de Vlaamse omroep VRT. De convergentie van newsrooms kwam eerst voor in de VS, namelijk bij de grote mediagroepen Media General, Bello Corporation en Tribune Corporation (zie Dupagne en Garrison 2006) en de praktijk werd dan later ook overgenomen door The New York Times en The Guardian. Dit zijn private bedrijven en hun redenen waren dan ook economisch (Thurman and Lupton 2008). De reden voor de publieke omroepen, volgens Larrondo et al., om hun verschillende mediahuizen of diensten te convergeren is eerder om hun legitimiteit te bevestigen.

A key rationale for these convergence projects is the mounting pressures to justify the existence of public service media in an increasingly pluralistic scenario, to be accountable and prove their efficient use of state funding. This has forced them to reconsider their mission and to address structural and professional changes. Any failure to do so would jeopardise their visibility in the market, their financial viability, and would question their legitimacy.

Larrondo et al. concluderen dat nieuwe media convergentie in de newsroom op problemen stuit door de heersende cultuur op de werkvloer. De verschillende facetten radio, tv en print hebben elk hun eigen cultuur en daarbij behorende normen. Wanneer het specifiek gaat om publieke omroepen, zien we dat deze oude organisatie structuur nog overblijft van de tijd wanneer de openbare omroep de enige omroep was. Ten tweede, doordat de druk tot convergentie eerder van legitimiteitskwesties komt, hebben de publieke omroepen alternatieve manieren gevonden van convergeren die model kunnen staan voor de private omroep (Larrondo et al 20-21).

Ik focus op de literatuur over de rol van de journalist zelf en hoe de journalist newsroom convergentie ervaart. In de literatuur vinden we drie aanpakken over dit onderwerp. Er is een non-normatieve aanpak die kijkt naar hoe journalisten hun taken en jobsbeschrijving gevarieerder wordt (Wallace 2013) en hoe dit wordt gezien als een gevolg van kostenbesparing (Quin 2005) . De meeste journalisten zeggen dat dit een negatieve impact heeft op de kwaliteit van hun artikels (Cottle en Ashton 1999). Omdat de journalist artikels moet schrijven voor verschillende media die verschillende vereisten hebben moet hij hier meer tijd insteken. Ten tweede heeft de journalist minder tijd voor elk artikel omdat er meer tijdsdruk is vanwege het continue update aspect van de nieuwe media. Het resultaat is dus dat de journalist minder tijd heeft voor elk artikel en dat heeft, en hier beginnen veel normatieve artikels, een negatief effect op de kwaliteit. Er is een vermindering van ‘beat-journalistiek’ want de journalist kan zich minder specialiseren en spendeert te veel tijd achter zijn bureau vanwege de reeds vernoemde extra taken (Garcia et al. 2004). Aan de andere kant is er ook literatuur waarin er volgens studies de journalist autonomer is in de productie van zijn artikel en waar staat dat dit een positieve invloed heeft op de kwaliteit van zijn werk (Huang et al. 2004 en Meier 2007) (Larrondo et al. 2014 pp 2-4).

Journalist autonomer door media convergentie?

Huang et al. 2004 hebben met een inhoudsanalyse de kwaliteit van de Tampa Tribune opgevolgd voor, tijdens en na de convergentie van de newsrooms en vonden dat de kwaliteit van de artikels hetzelfde bleef. Daarnaast hebben ze ook een diepte-interview gedaan om te zien of een lid van de redactie van de 2003 Tampa Tribune, Craig Gemoules, deze thesis bevestigt en om erachter te komen waarom de kwaliteit op eenzelfde niveau gebleven is. In de volgende quote wijzen Huang et al naar een belangrijke nuance van hun onderzoek:

It is not our intention to establish a causal relationship between mediaconvergence and the quality of reporting. Neither a content analysis nor in-depth interviews can do such a job. Gemoules also pointed out that ‘not all changes that have happened at the newspaper or the television station are driven by convergence’ … The goal of the study was to provide empirical evidence from the perspective of newspaper journalism to the important ongoing conversation about quality reporting issue in a converged media environment. (76)

Als hun onderzoek geen causale link legt, waarvoor geven ze ons dan bewijs in verband met mediaconvergentie en de kwaliteit van journalistiek? Gemoules’ opmerking maakt ook een goed punt dat we kunnen veralgemenen: in hoeverre maten is het specifiek mediaconvergentie die de job van de journalist verandert en niet gewoon de algemene veranderingen (of een specifieke andere factor) van het vak? Op de eerste vraag kunnen we antwoorden dat ze ons data geven die kan gebruikt worden als bevestiging of als bewijs tegen een bepaalde hypothese. De tweede vraag (en de eerste eigenlijk ook) duidt op een algemeen probleem voor inductieve inferenties en meer bepaald een probleem van confirmatie: hoe weet je dat de variabel die jij eruit pakt om je hypothese op te stellen (hier mediaconvergentie) diegene is vanuit al de andere variabelen die verantwoordelijk is voor datgene je wilt verklaren (hier (gebrek aan) kwaliteitsverandering in journalistiek)?

De data die Meier en Huang et al. ons geven gaat eigenlijk niet direct over hoe het ‘multi-skilling’ van de journalist ervoor zorgt dat hij meer controle heeft over zijn artikel en zo betere (of even goede) artikels voortbrengt, zoals het artikel van Larrondo et al. suggereert (3). De data zegt eerder dat het samenvoegen van al de verschillende media een beter overzicht geeft van een editoriaal standpunt en dat dit de kwaliteit in handen werkt.

Wanneer we in de literatuur (die ik heb gevonden) de rol van de journalist als ‘backpack journalist’ tegenkomen wordt dit beschreven als een negatieve invloed te hebben op de kwaliteit van zijn werk. De literatuur omtrent de invloed van mediaconvergentie op de newsroom is verdeeld over de invloed op de kwaliteit van artikels.

Bibliografie

Larrondo, A. Domingo, D. Erdal, I.J. Masip, P. & Van den Bulck, H. (2014), ‘Opportunities and Limitations of Newsroom Convergence’, in Journalism Studies

Cottle, S. & Ashton, M. (1999), ‘From BBC Newsroom to BBC Newscentre: On Changing Technology and Journalist Practices.’, in Convergence 5 (3): 22–43.

Dupagne, M. & Garrison, B. (2006), ‘The Meaning and Influence of Convergence. A Qualitative Case Study of Newsroom Work at the Tampa News Center.’, in Journalism Studies 7 (2): 237–255.

Aviles, G. Alberto, J. Leon, B. Sanders, K. en Harrison, J. (2004) ‘Journalists at Digital Television Newsrooms in Britain and Spain: Workflow and Multiskilling in a Competitive Environment.’ in Journalism Studies 5 (1): 87–100.

Huang, E. Rademakers, L. Fayemiwo, M. & Dunlap, L. (2004) ‘Converged Journalism and Quality: A Case Study of the Tampa Tribune News Stories.’, in Convergence 10 (4): 73–91

Meier, K. (2007) ‘Innovations in Central European Newsrooms: Overview and Case Study.’ in Journalism Practice 1 (1): 4–19.

Quinn, S. (2005) ‘Convergence’s Fundamental Question.’, in Journalism Studies 6 (1): 29–38.

Thurman, N. & Lupton, B. (2008) ‘Convergence Calls: Multimedia Storytelling at British News Websites.’, in Convergence: The International Journal of Research into New Media Technologies 14 (4): 439–455.

Wallace, S. (2013) ‘The Complexities of Convergence Multiskilled Journalists Working in BBC Regional Multimedia Newsrooms.’, in International Communication Gazette 75 (1): 99–117.

Maakt het internet journalistiek democratischer?

In de eerste post verwees ik naar de vraag of nieuwe media ontwikkelingen in relatie tot journalistiek wel daadwerkelijk een democratiserend effect hebben. Zoals de titel al aanduidt, is dit het onderwerp van deze post. Mijn focuspunt voor deze post is de ‘digital divide’, de digitale kloof die heerst tussen mensen met toegang tot computers en internet (ik verwijs hier vanaf nu naar met de term ICT) en mensen zonder toegang tot ICT. Er is geen consensus over het gebruik, de oorsprong en de definitie van de term ‘digital divide’ maar deze algemene definitie is het startpunt voor deze post. Voor een kritische analyse van het gebruik en van definities van de term, zie Gunkel 2003.

In verband met journalistiek komt de volgende stelling naar boven. Als journalistiek alsmaar een meer digitaal en online gebeuren wordt, dan worden diegenen zonder toegang tot ICT meer en meer uitgesloten van journalistiek. Dit ondermijnt het democratische karakter van de digitalisering van journalistiek. In vorige posts hebben we ook al andere bedenking in verband met deze democratisering gezien, namelijk in relatie tot journalistiek normen en de kwaliteit van journalistiek. In deze post ligt de nadruk eerder op de vraag of de digitalisering zelf wel echt een democratiserend effect heeft.

De digitale kloof

In de inleiding heb ik een algemene definitie gegeven, namelijk het verschil tussen diegenen met toegang tot ICT en die zonder deze toegang. Naast te verwijzen naar toegang kan deze kloof ook op een verschil in gebruik duiden. Twee personen kunnen dezelfde toegang hebben tot een computer en internet maar de kloof kan erin liggen dat de éne haar computer voor zowat alles gebruikt en de ander bijna nooit. Er zijn dus twee aspecten aan: het primaire aspect is toegang en het secundaire aspect is gebruik.

De ‘digital divide’ kan voorkomen op verschillende niveaus. Het eerste is het niveau van individuen. De digitale kloof kan dus liggen tussen individuen indien één individu toegang heeft tot ICT en een ander niet. Tussen individuen kan het niet alleen om economische (kan geen computer betalen) of praktische redenen (er is geen internet receptie waar je woont) gaan maar ook het kan ook om een verschil in capaciteiten gaan. De digitale kloof kan een instantie zijn van een generatiekloof, bijvoorbeeld. Iemand’s oma kan wel het geld voor een computer hebben maar niet de know-how om er eentje te bedienen. Ook hier gaat het nog om toegang en niet om hoe veel men ICT gebruikt.

De digitale kloof komt ook voor op hogere niveaus. Zo kan het op duiden op een verschil tussen bevolkingen, bevolkingsklassen, geografische gebieden, enzovoort. Wanneer we het op een globaal niveau bekijken krijgt het een ander karakter, want dan gaat het niet meer over een digitale kloof tussen mensen maar tussen landen. Een land is natuurlijk een collectie van mensen maar het is ook veel meer, het gaat over de groep mensen als een groep. Een voorbeeld van dit verschil is dat een rijk land zich beter kan ontwikkelen omdat het meer toegang heeft tot informatie technologieën. Hier brengt de kloof verschillen met zich mee tussen het welzijn of de ontwikkeling van hele groepen en niet tussen individuen. Voor een globaal overzicht van de digitale kloof in 2015, zie de website van het ITU:

ITU tabel 1

ITU tabel2

Gevolgen van de digitale kloof

De vorige paragraaf eindigde met een voorbeeld van een gevolg van de digitale kloof. Laten we de verschillende mogelijke gevolgen overlopen. Het meest vanzelfsprekende gevolg is dat mensen met een computer en internet (en die deze gebruiken) toegang hebben tot meer informatie dan anderen. Dit is het algemene gevolg, waarop tweedegraadsconsequenties volgen zoals economische en sociale voordelen, bijvoorbeeld. Deze tweedegraadsgevolgen zijn wel geen rechtstreekse gevolgen van het informatie verschil. Hoe men omgaat met deze toegang tot informatie en hoe men ze gebruikt (of kan gebruiken) is hier ook van belang. Zo zegt Colin Sparks (2000) dat het internet zijn democratisch potentieel niet kan realiseren omdat de manier waarop het internet zijn plaats vindt in de samenleving volgens de al aanwezige structuur van de samenleving is. En vervolgens zullen de klassenverschillen die al aanwezig waren vóór het internet aanwezig blijven. Of om het in Gunkel (2003) zijn terminologie te zeggen: de digitale divide is een symptoom en geen oorzaak van sociaal-economische verschillen (2003, 512).

Tot nu toe, als inleiding tot het debat rond de digitale kloof, heb ik deze kloof besproken als een zwart-op-wit situatie met twee kanten. Natuurlijk is de situatie veel genuanceerder. Er zijn gradaties in hoever mensen toegang hebben tot digitale media (Gunkel 2003) en er zijn gradaties in hoe technologie verspreid is over de wereld. Amelia Bryne Potter (2006), bijvoorbeeld, schetst een genuanceerder beeld om te voorkomen dat bepaalde groepen mensen zouden worden overgeslagen in ontwikkelingsprojecten omtrent het internet. Ze doet dit, onder andere, door te kijken naar de context waarin men de verschillende technologie niveaus vindt, zoals Sparks (2000).

Tot zover hebben we de digitale kloof in het algemeen besproken, laten we nu kijken naar hoe dit verbonden is met journalistiek.

En journalistiek?

In de eerste post heb ik Geert van Kesteren’s visie op de relatie tussen burgerjournalistiek en vakjournalistiek besproken. Hieromtrent zei ik dat het toepassen van traditionele journalistieke normen op burgerjournalistiek mogelijk een vertekend beeld geeft en dat dit het democratische aspect van burgerjournalistiek ondermijnt door het te vergelijken met de literatuur over blogjournalistiek. Wat de digitale kloof ons zegt is dat burgerjournalistiek en blogs in zichzelf niet een democratisch medium zijn. Nu, als we het op een continuüm bekijken dan zijn blogs en de input van burgers wel democratischer dan traditionele media. We mogen alleen niet vergeten dat we de stemmen van het merendeel van de wereld (zie de grafieken boven) nog altijd niet horen.

Hetzelfde kunnen we zeggen over wiki’s en Wikinews. Nieuws en informatiebronnen die door iedereen geschreven en bewerkt kunnen worden zijn nog altijd maar zo democratisch, en ook al is dit heel vanzelfsprekend maar het wordt vaak over ogen gezien, als de verspreiding van de media om dit te kunnen doen. Dit is dan iets dat de neutraliteitsclaim van Wikinews mogelijk deels ondermijnt.

Dit aspect heeft ook gevolgen voor de rol van de vakjournalist in het nieuwe media landschap. De vakjournalist zou het dan op zich moeten nemen om de kant van diegenen zonder toegang tot ICT te laten zien. Nu, dit gaat ervan uit, zoals de vorige twee stellingen, dat mensen met toegang tot ICT ook daadwerkelijk deelnemen in journalistiek (en dat ze gehoord/ gelezen worden). Het is moeilijk om dit aspect van journalistiek in verband met de digital divide anders te bekijken.

Buiten het aspect van democratische participatie in het maken van journalistiek is er natuurlijk ook de kwestie van toegang tot nieuws, zoals ik in de eerste paragraaf al heb aangehaald. De vraag die we hier eerst moeten stellen is dan of mensen die geen toegang hebben tot ICT wel toegang hebben tot kranten en andere printmedia. Op het continuüm van de digitale kloof zullen er in elk geval mensen zijn die in deze categorie vallen. De kwestie is dan dat als journalistiek meer en meer digitaal wordt, dat er mensen gaan zijn die geen toegang meer hebben tot het nieuws. Dit valt moeilijk te voorspellen en hiervoor zouden we naar cijfers moeten kijken. Op het eerste zicht zou ik zeggen dat daar waar er geen internet is en de bevolking groot genoeg is, er wel een andere manier van nieuwsdistributie aanwezig zal zijn.

Bibliografie

Gunkel, D. J. (2003), ‘Second thoughts: toward a critique of the digital divide’, in new media & society, Vol5 (4):499–522

Sparks, C. (2000), ‘The Distribution of Online Resources and the Democratic Potential of the Internet’ in van Cuilenberg, J. and van der Werf, R. (eds)  Media and Open Societies:  Cultural, Economic and Policy Foundations for Media Openness and Diversity in East and West.  Amsterdam:  Het Spinhuis.  229-54

Potter, A.Bryne (2006), ‘Zones of silence: A framework beyond the digital divide.’, First Monday, 11(5), URL: http://firstmonday.org/htbin/cgiwrap/bin/ojs/index.php/fm/article/view/1327/1247

Nieuwe media als alternatief voor elitebronnen

In de vorige post was er een paragraaf over hoe journalisten tegenwoordig nieuwe media gebruiken in hun onderzoek. Mijn startpunt hiervoor was wat Frank de Graeve zei over hoe journalisten nieuwe media kunnen gebruiken om informatie te vergaren. In deze post kijk ik naar data van polls en academische artikels om te zien of de Graeve’s voorstellen en observaties omtrent het nieuwe mediagebruik van journalisten overeenkomen met de observaties van anderen.

Vlaamse journalisten en nieuwe media

In 2012-2013 zien we dat de Vlaamse pers vooral nog gebruik maakt van traditionele manieren om info te verzamelen. Omtrent nieuwe media liggen de percentages van dagelijks gebruik redelijk laag. Zo gebruikt maar tussen de 13% en de 33% dagelijks sociale media zoals microblogs zoals Twitter (33%), sociaalnetwerksites zoals Facebook (24%), video- en fotosites (16%) en weblogs (13%) om informatie te verzamelen (De Vuyst, Raeymakers, De Keyser 2013, 4). Wat misschien nog sprekender is, is dat ongeveer een derde zelden of nooit sociale media gebruikt. Dit is 33% voor weblogs, 30% voor microblogs, 27% voor sociaalnetwerksites en 33% voor foto- en videosites. Jongere journalisten maken meer gebruik van sociale media dan oudere journalisten. En journalisten die als vaste journalist werken gebruiken het meer dan freelance journalisten (ibid, 5).

Nu, de vraag is wat deze cijfers ons echt zeggen. Ik heb ze voorgesteld als een bevestiging dat het gebruik van nieuwe media voor informatievergaring nog niet alomtegenwoordig is. Men kan natuurlijk evengoed zeggen dat dit in de komende jaren wel zo zal worden en dat cijfers die zeggen dat een derde van de Vlaamse journalisten in 2012-2013 al dagelijks gebruik maakte van Twitter een feit is dat deze stelling ondersteund.

Gevolgen van het gebruik van online sources

In een recent artikel verzamelen Lecheler en Kruikemeier (2015) de data van verschillende onderzoeken omtrent het gebruik van online bronnen in journalistiek. Ze benaderen deze data vanaf drie invalshoeken: hoe dit de selectie van bronnen door journalisten beïnvloedt, hoe dit de verificatiestrategieën van journalisten verandert en wat dit teweegbrengt in de hoe de consument naar nieuwsberichtgeving kijkt.

Lecheler en Kruikemeier vertrekken van de thesis dat het gebruik van sociale media, websites en online encyclopedieën stijgt. Hiervoor verwijzen ze naar onderzoek van Hermida 2013, Tylor 2015 en Vis, 2013. Nu, het laatste onderzoek van Vis is gericht op hoe journalisten sociale media gebruiken om iets te laten weten aan hun publiek. Deze post is beperkt tot hoe journalisten sociale media gebruiken om iets op te zoeken.

Door de twee eerste vragen (selectie en verificatie) te beantwoorden, proberen Lecheler en Kruikemeier een algemene conclusie te vormen over hoe de machtsrelatie tussen journalisten en hun bronnen ligt in het online tijdperk (2). De hypothese die ze bevragen bestaat uit twee delen, namelijk of de optie van online bronnen een democratisering van journalistieke bronnen met zich mee brengt en of de traditionele aanpak van journalisten in verband met bronnen zich vertaalt naar deze nieuwe situatie. De redenering achter het eerste aspect is dat journalisten nu online meer mensen kunnen bereiken en nu kunnen ze dus ook meer ‘gewone’ mensen bereiken terwijl ze vroeger eerder afhankelijk waren van officiële bronnen. Wanneer er iets gebeurd in een bedrijf kan je nu bijvoorbeeld makkelijk iemand die daar werkt aanspreken via Twitter in de plaats van contact te moeten proberen maken met een pr-persoon van het bedrijf. De vraag van selectie heeft ook een tweede onderdeel. Als journalisten meer bronnen hebben, en specifiek meer democratische, als in niet-elite, bronnen, dan zou de journalist in se een groter en completer beeld kunnen geven in zijn bericht (4).

Arguably, the proliferation of user-generated content on online platforms could lead to loss of control for elites, and increase the visibility of nonelite citizen voices in the media (Hermida and Thurman, 2008). (2)

Dit laatste aspect van hun vraagstelling omtrent selectie van bronnen gaat mogelijk in tegen de conclusie van mijn vorige post. In deze conclusie stelde ik voor dat de overvloed van nieuwsbronnen voor de consument de taak van de journalist hervormt naar een grotere focus op diepte- en opinie- of interpretatiestukken. Lechelen en Kruikemeier stellen iets anders voor, namelijk dat sinds de journalist meer bronnen heeft, hij een objectiever beeld kan schetsen voor de consument. Dit gaat in tegen het opinie-aspect van mijn conclusie. Het kan aan de andere kant wel verzoend worden met het diepteonderzoek-aspect van mijn conclusie.

Nu, Lechelen en Kruikemeier’s conclusie is dat online informatie vergaring eerder complementair is dan dat het de plaats inneemt van traditioneel onderzoek, dat journalisten moeilijkheden ondervinden met het verifiëren van hun online onderzoek en dat ‘elite-bronnen’ nog altijd de overheersende bronnen van informatie zijn. Dit laatste aspect gaat dan in tegen het idee dat journalistiek onderzoek democratischer wordt en dat ze hierdoor een completer beeld van het nieuws kunnen schetsen. Dit kan als een motivatie voor mijn prognose worden opgevat.

…the available research largely takes the point that online sources will not replace offline sources, but that they are a (welcome) addition to journalistic sourcing routines. Also, online sourcing has so far not changed much regarding the dominance of elite sources in news reporting. (5)

Zo toont onderzoek van Lariscy et al. (2009) en Knight (2012) aan dat journalisten ook in hun online onderzoek elite bronnen (zoals websites van politieke partijen en websites van kwaliteitskranten) verkiezen boven andere bronnen.

Wanneer het gaat over verificatie van bronnen en hoe de journalist dit moet doen in het online landschap, komen ze tot de volgende conclusie, die ook betrekking heeft tot mijn suggesties in verband met het gebruik van wiki’s door journalisten:

Where verification strategies used to be phone calls with trusted sources to confirm a new piece of information, there are now questions of acquiring geo-location (i.e. from where was the information posted), identifying where social media content comes from, or understanding where trustworthy eyewitness information could be obtained (Schifferes et al., 2014). In some way, this might also be the reason why journalists shy away from using social media information for serious and substantial reporting, and why this kind of sourcing strategy is more often used on light entertainment and sports stories as found by Broersma and Graham (2013). Importantly, the sheer impossibility to fully understand the complex architecture of online information has prompted some researchers to start developing computerized tools that may help with verifying information online.

Om op te sommen, journalisten hebben dus eigenlijk een grote bagage aan onlinekennis en -tools nodig om online bronnen te kunnen verifiëren en het gebrek hieraan ligt mogelijk aan de grond van waarom journalisten nu nog altijd elite-bronnen verkiezen.

Samenvatting van de onderzoeken (Lecheler en Kruikemeier, 6-7)

Tabel 1 Lecheler & Kruikemeier

Tabel 2 Lecheler & Kruikemeier

Bibliografie

De Vuyst, S. & Raeymakers, K. & De Keyser, J. (2013) ‘Journalistiek 2.0?’ in Nieuwsbrief Steunpunt Media, Nieuwsmonitor 16, oktober 2013

Hermida, A. (2013) ‘#JOURNALISM: reconfiguring journalism research about Twitter, one tweet at a time.’ in Digital Journalism 1(3): 295–313.

Hermida, A. & Thurman, N. (2008) ‘A clash of cultures: the integration of user-generated content within professional journalistic frameworks at British newspaper websites’ in Journalism Practice 2(3): 343–356.

Knight, M. (2012), ‘Journalism as usual: the use of social media as a newsgathering tool in the coverage of the Iranian elections in 2009’ in Journal of Media Practice 13(1): 61–74.

Lariscy, R.W. & Avery E.J. & Sweetser KD, et al. (2009), ‘An examination of the role of online social media in journalists’ source mix’ in Public Relations Review 35(3): 314–316.

Lecheler, S. & Kruikemeier, S. (2015) ‘Re-evaluating journalistic routines in a digital age: A review of research on the use of online sources’, in new media & society, Sage pub, pp 1-16.

Tylor, J. (2015), ‘An examination of how student journalists seek information and evaluate online sources during the newsgathering process’ in New Media & Society 17(8): 1277–1298.

Vis, F. (2013), Twitter as a reporting tool for breaking news: journalists tweeting the 2011 UK riots’, in Digital Journalism 1(1): 27–47.

Een (ouderwets) standpunt over de rol van de journalist in de toekomst

In mijn vorige posts zijn er al verschillende keren vragen naar boven gekomen over de toekomst van traditionele journalistiek. Met de opkomst van nieuwe media en burgerjournalistiek die, zoals we hebben gezien, bepaalde aspecten van traditionele journalistiek op zich nemen, wordt de vraag gesteld of er nog plaats is voor traditionele journalistiek en media zoals kranten en week- en dagbladen. In de eerste post zagen we hoe Geert van Kesteren ervan overtuigd is dat burgerjournalistiek nooit de rol van de vakjournalist zal overnemen omdat deze nodig is om het materiaal vergaart door de burger te contextualiseren en in een ethisch kader te plaatsen. De toekomst beelden die in de vorige posts werden geschetst waren maar, wel, schetsen die gebaseerd waren op theorieën en visies over de verschillen tussen oude en nieuwe media. In deze post ga ik dieper in op deze toekomstvoorspellingen en stel ik mijn eigen kijk voor in een meer gedefinieerde vorm.

Frank de Graeve

In de vorige post eindigde ik met de conclusie dat wiki’s geen bedreiging vormen voor de journalist indien de journalist zijn nieuwe (oude) rol omarmt, namelijk die van een verslaggever die ook nog eens een bepaalde eigen indruk meegeeft en die de nieuwsinformatie op een bepaalde manier voorstelt aan zijn publiek. In een gastles aan de KULeuven presenteert Frank de Graeve een gelijkaardige stelling:

Eén manier – maar niet noodzakelijke de enige – om het bestaansrecht van kranten te verdedigen is dat ze een antwoord kunnen bieden op de vraag: “Wat is er in godsnaam aan de hand? Leg mij dat eens uit?” Men verwacht van een krant steeds minder dat ze ons vertelt wat er gebeurd is, maar wel dat ze ons uitlegt hoe dat kunnen gebeuren is. Waarom doen die mensen dat?

In het kort, de journalist moet dus een verklaring en uitleg geven over het nieuws, en het niet gewoon als een rauw feit voorstellen.

In een vorige post heb ik ook verwezen naar W. Lance Bennet’s theorieën over de geschiedenis en de toekomst van de Amerikaanse journalist. Wat ik nog niet heb besproken is hoe Bennet pleit voor een terugkeer naar journalistiek die niet doelt op neutraliteit en objectiviteit. Volgens hem zijn dit normen die, ten eerste, niet bereikt worden door Amerikaanse journalisten omdat ze nooit echt het politieke establishment in vraag trekken en die, ten tweede, de consument de illusie geven dat de pers een volwaardige antagonistische rol speelt in relatie tot de Amerikaanse politici en politieke instituten. Bennet stelt niet voor dat we terugkeren naar de heel partijdige journalistiek van het begin van de eeuw, en dat is ook niet een stelling die ik wil opnemen. Mijn stelling, zoals ik al eerder zei, is dat de journalist er wel meer voor moet uitkomen dat hij zijn eigen mening en interpretatie van een nieuwsfeit geeft. Dit hangt (meestal) samen met hoe een journalist de rol speelt van iemand die de hoe? en de waarom? achter een nieuwsfeit uit legt.

Frank de Graeve haalt nog een ander aspect, dat samenhangt met het vorige aspect, van traditionele journalistiek aan waar traditionele journalisten op zouden moeten focussen in de toekomst.

Het spreekt voor zich dat je van journalisten moeilijk kunt verwachten dat ze géén nieuws meer gaan brengen en dat zomaar overlaten aan de Twitteraars en Facebookers onder ons. Daarom denk ik dat er de komende jaren meer zal worden gegraven, dat de traditionele media steeds meer verhalen gaan brengen die niet vanzelf naar boven komen.

De journalist die in traditionele media publiceert zou zich dus meer moeten focussen op het soort werk dat men niet snel even op een blog kan posten, namelijk diepgaande onderzoeksjournalistiek.

Het gebruik van sociale media door journalisten

Buiten deze twee aspecten waarin de traditionele journalist de nieuwe media overstijgt haalt de Graeve ook positieve punten aan over hoe het gebruik van sociale media de journalist zijn werk kan vergemakkelijken.

Een eerste ontwikkeling op journalistiek vak die we zien gebeuren in sociale media is dat sociale media niet alleen wordt gebruikt om nieuwsberichten bekend te maken maar dat het nieuws soms simpelweg wordt gemaakt op sociale media. Zo gebeuren  interviews en onderzoeken tegenwoordig soms live op Twitter of Facebook. Een voorbeeld hiervan is hoe journalisten vaak verantwoordelijken van een bedrijf of organisatie online vragen stellen. Dit breng positieve en negatieve punten met zich mee voor beide kanten. Omdat het gesprek live is en omdat iedereen zijn inbreng kan geven (het democratische aspect) kan het gebeuren dat de vertegenwoordiger op vragen moet antwoorden en zo dingen zegt die hij liever nog niet had moeten zeggen.

Zeggen dat je je niet over kan uitspreken over deze of gene zaak is ook geen oplossing. Dat wekt alleen maar de belangstelling (“Ha, hier is iets aan de hand!”) of negatieve feedback (“Als je niet vrijuit kan spreken, wat zit je dan eigenlijk op Twitter te doen. Lul.”). Van iemand die social media wil gebruiken om hun boodschap kwijt te geraken, verwachten we nu eenmaal dat ze ook op lastige vragen beantwoorden.

Dit kan op zich een voordeel zijn voor de journalist, omdat die meer te weten komt. Maar voor de journalist die het interview aanging en die dit aspect als een ‘exclusive’ wou houden, is dit niet positief. Als een buitenstaander het interview kaapt en ervoor zorgt dat de geïnterviewde iets zegt, dan weet iedereen het meteen. Het kan ook zijn dat de journalist alle controle over het interview verliest door buitenstaanders en dan wordt belet om de info te vergaren die hij wilt weten.

Sociale media maakt het beroep van journalisten gemakkelijker omdat iedereen ineens te vinden en bereikbaar is. Zo moet je als journalist niet langer wachten totdat de pr-verantwoordelijke een statement heeft klaar gestoomd maar kan je al snel online iemand vinden die het bedrijf of de organisatie vertegenwoordigt. Als je hem of haar dan een vraag stelt kan die moeilijk niet antwoorden, want iedereen kan dat ook zien. Ten tweede, je kan je sociale media ‘volgelingen’ gebruiken om dingen te weten te komen. Nu, voor deze twee voordelen is er een vereiste: je moet namelijk genoeg volgelingen hebben die lezen wat je tweet of post om reacties uit te lokken en om druk te kunnen zetten op de geïnterviewde om te antwoorden.

Conclusie

Nieuwe media vormt in mijn ogen geen bedreiging voor de toekomst van de traditionele media journalist. De aspecten van nieuwe media die het op het eerste zicht concurreren met oude media, zoals snelheid van nieuws berichtgeving (een constante flow van informatie in de plaats van ‘de krant van morgen’) en de (gratis) toegang tot deze berichtgeving, hebben geen betrekkingen op wat ik een misschien wel essentiëler, en zeer zeker een interessanter, aspect van journalistiek vind, namelijk om deze informatie te interpreteren en presenteren voor een publiek. Als iemand het laatste weetje post op twitter dan is het de taak van de journalist om dat feit te onderzoeken door het al dan niet te verifiëren en het verhaal erachter naar boven te brengen. Daarbuiten zijn er nog altijd veel nieuwsfeiten die alleen een journalist naar boven kan brengen, exact omdat deze journalist dagelijks onderzoek en dieper onderzoek doet naar een actueel onderwerp en zo nieuwe dingen te weten komt. Vanuit persoonlijke interesse, en vanuit een bepaalde ideologie, ben ik voorstander van diepgaand journalistiek onderzoek en van ‘beat-jorunalists’ die dingen aan het licht kunnen brengen die normaal niet aan het licht komen. Ikzelf vind een artikel waar een bepaald feit wordt geïnterpreteerd en waarin een opinie wordt voorgesteld interessanter dan een artikel dat zo neutraal mogelijk een nieuwsfeit probeert voor te stellen. Zelfs in een geopinieerd artikel kan de lezer nog altijd het neutrale nieuwsfeit terugvinden, in zoverre dat een nieuwsfeit neutraal kan zijn. Een onderwerp dat nog meer onderzoek waardig is is dan hoe dit type journalistiek samenleeft met sociale media. In de post over blogs had ik het over hoe blogs opener zijn en hoe daarin meningen worden gegeven door leken over artikels van journalisten. Als journalisten dan minder neutrale artikels durven voorstellen kunnen deze blogs een mooi format zijn voor discussies over de interpretaties van journalisten.

Wiki’s als een bron en concurrent voor de journalist

Wiki:  To hurry, hasten; quick, fast, swift

(Hawaiian Dictionary, Hawaiian University Press 2003)

In de discussie over blogs heb ik het democratische en universele aspect benadrukt. Dit is een aspect dat we terugvinden in alle vormen van nieuwe media en een heel bekende instantie van zo’n democratisch medium is de ‘wiki’. De bekendste wiki is Wikipedia, de grootste encyclopedie van de wereld. Voordat ik Wikipedia bespreek in relatie tot journalistiek, ga ik eerst even terug naar het begin van wikis en naar de basiskarakteristieken van wiki’s om het onderwerp van deze post te kunnen liniëren.

Wat is een wiki

Het basisidee van een wiki is een software applicatie waarmee mensen samen aan een document kunnen werken dat bestaat uit hyperlinks en tekst. Het is een online collectie van teksten die op pagina’s staan (of soms is het maar één pagina) die iedereen kan bewerken. Het idee dat iedereen de tekst kan bewerken duidt op het democratische aspect. In verband met journalistiek zijn de volgende aspecten ook belangrijk. De website houdt oude versies van de wiki bij, men kan zien wie er wat heeft bijgedragen en er bestaan discussiepagina’s.

Wiki’s en journalistiek

Wat is het verband tussen wiki’s en journalistiek? Wel, er zijn verschillende verbanden. Het eerste verband is dat journalisten vaak wiki’s gebruiken als informatie bron. Journalisten gebruiken vaak nieuwe media als informatiebron. Uit een survey van 2010 van Cirion en Don Bates van George Washington University blijkt dat 89% van de Amerikaanse journalisten blogs gebruikt in hun onderzoek en dat 61% Wikipedia gebruikt. Het tweede verband is dat, zoals bij blogs, wiki’s een bron van informatie is die de consument minder afhankelijk maakt van traditionele journalistiek. Zoals blogs is het dus een alternatief voor een bepaald aspect van oude media journalistiek. Bij blogs gaat het eerder om een kijk op informatie en nieuws terwijl het bij wiki’s om de informatie zelf gaat. De vraag is dan of wiki’s een nieuwe vorm van journalistiek zijn voor de consument. Uit een survey blijkt dat Britten Wikipedia meer vertrouwen dan journalisten (link). Een derde verband is dat er via wiki’s zoals Wikileaks informatie naar buiten komt die normaal door journalisten wordt bekendgemaakt. De vraag is hier of wiki’s deze actieve rol in informatievergaring en bekendmaking van journalisten zijn aan het overnemen.

Het gebruik van wiki’s door journalisten

Er zijn verschillende vragen die naar boven komen wanneer we horen dat journalisten Wikipedia als een bron van informatie gebruiken. De eerste vraag is of dit wel professioneel verantwoord is. De tweede vraag is welke normen hierbij komen kijken en of die worden nageleefd. De twee vragen lopen ook door elkaar.

Mijn antwoord op de eerste vraag is dat journalisten Wikipedia kunnen gebruiken maar dat het gebruik van Wikipedia een bepaalde methode met zich meebrengt. Het eerste deel van dit antwoord komt niet overeen met mijn intuïtie maar rationeel gezien heb ik geen tegenargument. Deze intuïtie komt waarschijnlijk van het feit dat ik als filosofie student zelf geen gebruik mocht maken van Wikipedia en dat dit gerelateerd is aan een bepaalde norm. Hoe moet je Wikipedia juist gebruiken? Dat is door ervan bewust te zijn dat het door iedereen kan geschreven zijn en door het nog eens na te checken met andere bronnen. Wikipedia kan een goede manier zijn om de links tussen de informatie die door andere bronnen wordt bevestigd te vinden. Als een journalist geen tijd heeft of geen andere bron kan vinden, dan moet hij wel duidelijk vermelden dat zijn enige bron Wikipedia is. En nu zijn we aan de tweede vraag gekomen, namelijk welke normen het gebruik van Wikipedia met zich meebrengt. Het antwoord hier is dus transparantie. Als Wikipedia je enige bron is dan moet je dit duidelijk melden en liefst ook een link naar de wiki pagina beschikbaar maken.

Spijtig genoeg gebeurd dit niet altijd. Zo blijkt uit een enquête van fonds Pascal Decroos dat in 2010-2011, 90% van de Vlaamse journalisten Wikipedia gebruikt maar dat 90% van hun er niet naar refereert. Nu dit kan gaan over dingen zoals schrijfwijzes, waarvoor het gebruik van Wikipedia onschuldig lijkt, maar als het gaat over feiten na te kijken en data te verifiëren is het toch problematisch. Een redenering die mogelijk achter dit onvermelde gebruik van Wikipedia ligt is dat het een bron is van informatie die iedereen kent. Je moet niet naar een encyclopedie verwijzen wanneer je het hebt over waar de hypothalamus exact ligt en je moet niet naar het woordenboek verwijzen als je opgezocht hebt of je derdegeneratieallochtoon helemaal aan elkaar mag schrijven. Deze redenering klopt wel niet altijd in verband met Wikipedia. Wanneer een journalist feiten, achtergrondinformatie of data van Wikipedia haalt, lijkt het toch noodzakelijk om de bron te vermelden.

Wiki’s als bron van nieuws

Over het feit dat meer en meer mensen wiki’s gebruiken om zich te informeren in de plaats van artikels zijn er twee punten die we kunnen aanhalen. Het eerst punt is dat wiki’s nog altijd verschillen van journalistieke artikels die een opinie uitdrukken of die een analyse voorstellen van iets. Ten tweede zijn artikels er om de consument  op de hoogte te brengen van wat er interessant is om te weten. Dit is een actieve rol die niet voorkomt in het medium van een wiki. Een wiki is zoals een encyclopedie. De consument gaat ernaar toe als hij iets specifiek wilt te weten komen. Terwijl artikels in een krant de rol hebben om je te informeren over dingen waarover je zelf nog niet over op de hoogte bent.

Dit tweede punt is niet toepasbaar op Wikinews. Dit is namelijk, zoals de naam het zegt, een wiki die nieuws presenteert. Hier vind je nieuwsberichten en artikels over de actualiteit zoals in een krant, alleen zijn ze hier gemaakt door verschillende mensen tesamen. Net zoals blogs hebben we hier dus een nieuw medium dat ons het nieuws presenteert. Wikinews stelt zichzelf voor als de nieuwe bakermat voor objectiviteit en neutraliteit in berichtgeving van het nieuws. Kort samengevat is hun idee dat je door met verschillende mensen samen een artikel te schrijven een veelzijdiger perspectief kan geven dan wanneer je een artikel door één iemand laat schrijven.

Veel mensen verwachten van journalisten om een zo objectief en neutraal mogelijk verhaal te schrijven. Hierin kunnen oude media journalisten nieuwe media zoals Wikinews niet treffen. Ik denk niet dat dit noodzakelijk een negatief gegeven is voor traditionele journalistiek. De journalist zou juist moeten omarmen dat hij zijn eigen visie op iets geeft en hij zou de consumenten erve moeten overtuigen dat dit juist een reden is waarvoor ze een krant willen kopen.

Wikileaks

Het laatste verband dat ik wil aanhalen is hoe organisaties zoals Wikileaks informatie met ons delen dat traditioneel door kranten met ons werd meegedeeld, namelijk informatie die normaal van ons wordt verscholen. De journalist wordt traditioneel gezien een vierde macht; de journalist informeert ons over wat we anders niet zouden kunnen weten.  Ook deze rol wordt tegenwoordig dus door nieuwe media ingevuld. Maar juist zoals bij het algemene informerende aspect ligt het verschil in dat we van Wikileaks geen bepaalde visie of opinie krijgen over deze data. Deze rol wordt nog altijd vervuld door de traditionele journalist.

Rol van de journalist

Het aspect van een opinie en interpretatie van informatie te geven is iets dat we niet terugvinden in wiki’s, wat een gevolg is van de centrale eigenschap van een wiki, namelijk om door verschillende mensen te zijn geschreven. De plaats van de traditionele journalist is daarom dus niet noodzakelijk in bedreiging. We zien dit in hoe de gemiddelde mens nog altijd een krant koopt of online artikels van journalisten leest. Het is niet alleen de functie van een journalist om te informeren, het is een deel van zijn functie om deze informatie te interpreteren en ze ‘verteerbaar’ voor te stellen aan de consument.

Nieuwe media en journalistieke normen

In de laatste post ben ik geëindigd met Felix Salmon’s conclusies over weblogs en journalistiek. Twee aspecten van zijn conclusie gingen over de ethische en normatieve kant van journalistiek (het derde aspect was dat hij de betekenis van de term ‘journalistiek’ zelf in vraag trok). Om samen te vatten: weblogs hebben andere normen en waarden dan oude journalistiek en deze verschillen liggen eerder op een spectrum dan dat ze duidelijke lijnen voorstellen.

In deze post doe ik verder onderzoek naar deze ethische kwesties. Deze ethische vragen kwamen al naar voor in mijn vorige posts en we hebben al verschillende standpunten over de ethische kant van nieuwe media besproken. In deze post zal ik proberen tot een samenvattende conclusie te komen. Ik ga geen finaal standpunt opnemen maar eerder met een open stelling concluderen, die inspraak toelaat en hopelijk discussie opwekt, wat overeenkomt met hoe het gebruik van deze nieuwe media gekarakteriseerd wordt.

Traditionele en nieuwe media normen

Toch kunnen we al een aantal vragen beantwoorden. Een initiële vraag in verband met nieuwe media is: Moeten we de traditionele ethiek van journalistiek aanpassen aan nieuwe media? Een mogelijk antwoord op deze vraag is: neen, want deze ethische code overstijgt de media waarin journalistiek gedaan wordt. Dit eerste antwoord valt te betwisten. Als we de geschiedenis van de normen en waarden van journalistiek bekijken dan blijkt dat de vorm en de verspreiding van het medium deze normen bepaalt. Zo zien we bijvoorbeeld dat in de Amerikaanse pers de norm van objectiviteit pas te boven komt wanneer de pers een groter publiek probeert aan te spreken (Bennet 1996, 146-149). Toen kranten nog een kleinschaliger medium waren, en toen ze dus een kleinere lezersgroep hadden die een bepaalde politieke voorkeur had, waren journalisten heel open over hun partijdigheid (ibid). Hoe partijdiger je toen was, hoe meer je je publiek ging aanspreken.

Een ander mogelijk antwoord is dat we de normen van journalistiek moeten aanpassen aan de nieuwe media. Nu, we hebben hierover al diepgaande artikels, video’s en interviews besproken. We hebben nooit de conclusie gezien dat de journalist die voor de oude media werkt zijn oude normen moet aanpassen aan nieuwe media. We hebben voorstellen gezien waar de nieuwe media zijn eigen normen heeft en waar de oude media zijn traditionele normen behoudt. De vraag is dan of dit wel mogelijk is. Laten we eerst even terug gaan naar Blood’s artikel. Zij zei dat weblogs een media zijn waarmee we de oude media controleren en waarmee we onze gedachten en bedenkingen over de oude media kunnen uiten. Het is dus een soort van tweedegraads of ‘second-order’ media. Blood zei ook dat dit geen journalistiek is. Op het eerste zicht zal het dan ook geen repercussies meebrengen voor de normen van oude media journalistiek. Maar, als de oude media journalistiek constant wordt gemonitord door bloggers en als de commentaar van deze ‘monitors’ door oude-media lezers wordt gelezen, dan, als we Bennet’s historische analyse van journalistiek zouden doortrekken, zullen de oude-media journalisten wel rekening houden met hoe ze door bloggers worden weergeven.

De vraag is dan of deze bloggers de oude media beoordelen op in hoeverre maten ze de traditionele normen volgen of dat ze deze beoordelingen maken volgens nieuwe normen. In de artikels die we tot nu toe hebben besproken worden bloggers voorgesteld als watchdogs die de journalisten controleren op hoe objectief en transparant ze zijn en dat ze dit doen door verschillende kranten en journalisten te vergelijken. Als we Blood’s redenering volgen, dan zullen weblogs er alleen maar voor zorgen dat journalisten hun eigen traditionele waarden harder gaan toepassen zodat de bloggers hun niet kunnen vangen op subjectiviteit en foute rapportering. Er is dan dus geen nood om de traditionele normen aan te passen.

Spectra

Als we naar het interview met Felix Salmon kijken, krijgen we een ander beeld geschetst. Volgens Salmon zijn de normen van oude en nieuwe media anders maar kunnen webloggers wel tot journalisten gerekend worden en liggen deze normen en waarden op een spectrum. Het beeld dat we dan dus krijgen is dat we journalistiek kunnen opdelen tussen nieuwe en oude journalistiek en dat de waarden van elk op een gemeenschappelijk spectrum liggen. Een artikel of post kan dus een typische blogpost zijn die dan de normen en waarden die bij die kant van het spectrum horen moet volgen. Maar een blogpost kan ook dichter bij een traditioneel artikel aanleunen en dan moet het ook rekening houden met de traditionele normen. Het idee van een spectra van normen spreekt mij enorm aan en heeft zijn nut al vaak bewezen ook al maakt het ons moeilijker om dingen te kunnen categoriseren.

autism-cartoon

(http://blog.asha.org/2010/10/21/autism-spectrum-disorders-labels-categories-and-confusion-part-2/)

Bij het idee van een spectrum wordt vaak wel vergeten dat er nog altijd duidelijke verschillende soorten kunnen zijn. Denk terug aan de paradox van Sorites. Nu deze paradox heeft verschillende implicaties voor taalfilosofie en logica (zie de Stanford Encyclopedia Entry voor een goed overzicht). In ieder geval kunnen we nog altijd zeggen dat een hoop zand een hoop zand is en dat een korrel zand geen hoop zand is. Zo is het ook nog altijd duidelijk wanneer een artikel een blogpost is en wanneer het een traditioneel artikel is, ook al zijn er gevallen die ertussen vallen. Dat blogs en artikels op een spectrum liggen is een open en abstracte conclusie over de verschillen tussen nieuwe en oude media journalistiek. De vraag is dan nog steeds wat de normen zijn voor deze nieuwe media. In vorige posts heb ik verwezen naar transparantie maar er valt nog veel meer over te zeggen.

Open ethiek

Recente artikels stellen de thesis voor dat nieuwe media een open ethiek heeft. Dit houdt in dat de ethiek openstaat voor veranderingen en input van leken. Wat we hier dan zien is een verdere instantie van de universalizering, of misschien is globalisering een beter woord, en democratisering van journalistiek. Dit is een onderwerp dat deel uitmaakte van de eerste post.

Twee bekende voorstanders van zo’n open ethiek zijn Stephen J.A. Ward en Herman Wasserman (Ward & Wasserman 2014, Ward 2014, Ward & Wasserman 2011). Ward heeft een gelijkaardige kijk op de band tussen de historiek van economische modellen van media en de historiek van de ethische normen van media als Bennet:

Throughout history, the conception and content of journalism ethics in any era has been shaped by the social, technological, and economic structure of news media. (Ward 2014, 456)

Voor Ward’s eigen historische analyse zie Ward 2005. Ward karakteriseert de nieuwe media met de volgende punten. Ten eerste hebben ook niet-journalisten de kans om hun zeg te doen, het is dus een democratischer medium. Ten tweede is het een interactief medium. Ten derde is het een online medium. Het vierde punt is dat de nieuwsmedia geglobaliseerd is. Dit gaat zowel over wat er gerapporteerd wordt, hoe info vergaard wordt, het bereik en de invloed (457). De gevolgen van deze verschillen stelt Ward voor door de volgende vragen te stellen:

Questions of identity: If citizens and non-professional journalists report and analyze events around the world, who is a journalist?

Questions about scope: If everyone is potentially a publisher, do journalism and media ethics now apply to everyone? If so, how does that change the nature, practice, and teaching of journalism ethics?

Questions about content: What are the most appropriate principles, approaches, and purposes for digital journalism ethics? For example, is news objectivity still a valid ideal?

Questions about new journalism: How can new forms of journalism, e.g. nonprofit journalism or entrepreneurial journalism, maintain standards such as editorial independence from funders?

Questions about community engagement: What ethical norms should guide the use of citizen content and newsroom partnerships with external groups?

Questions about global impact: Should journalists see themselves as global communicators? How do journalists reconcile their patriotic values with their duty to humanity and to address global issues? (459)

Dit zijn goede vragen voor het begin van een discussie over nieuwe media ethiek maar ze stellen de traditionele journalistieke normen niet genoeg in vraag. Voor een diepere bespreking van deze waarden verwijs ik de geïnteresseerden naar Bennet’s artikel.

Aan het einde van Bennet’s artikel stelt hij voor dat we alleen educatief en experimenteel een nieuwe journalistieke standaard kunnen bereiken die niet in de val loopt van de oude journalistiek waar de normen van objectiviteit exact de mogelijkheid op een echte objectiviteit ondermijnt (Bennet 1996, 164). Een open ethiek lijkt een mooie manier om dit te bereiken. Als we van Ward’s vragen vertrekken wil ik de volgende twee vragen erbij voegen. Adresseren Ward’s vragen alle aspecten van de nieuwe media ethiek en kunnen we ze herformuleren zodat ze de traditionele normen niet simpelweg aannemen?

Bibliografie:

Bennet, W. L. (1996), News, the Politics of Illusion, NY: Longman

Ward, J. A. S. (2005), The Invention of Journalism Ethics: The Path to Objectivity and beyond. Montreal, Que.: McGill-Queen’s University Press.

Ward, J.A.S. (2014), Radical Media Ethics, Digital Journalism, 2:4, 455-471

Ward, J.A.S. & Wasserman, H. (2014), Open Ethics, in Journalism Studies

Ward, J.A.S. & Wasserman, H. (2010), Towards an Open Ethics: Implications of New Media Platforms for Global Ethics Discourse Journal of Mass Media Ethics, 25:275–292, 2010

Zijn weblogs een vorm van journalistiek?

In deze post ga ik dieper in op weblogs als een medium voor journalistiek. Blogs kwamen al voor in de vorige post. Eerst van al zei ik dat ik met deze blog ging onderzoeken hoe ik als journalist het medium gebruik en hoe het mijn berichtgeving beïnvloedt. Ten tweede verwees ik naar academische artikels over de weblog als een medium dat gebruikt kan worden om journalistiek te democratiseren (Regan 2003, Matheson 2004, Rosen 2005).

Blood on blogs

Om hier dieper op in te gaan vertrek ik van een academisch artikel over weblogs en journalistiek. Rebecca Blood (2003) ziet weblogs als een middel om de nieuwsberichten van journalisten te bespreken en te framen, maar het is een medium dat fundamenteel verschilt van journalistiek zelf. Dit verschil brengt met zich mee dat journalisten en webloggers andere normen hebben. Deze theorie komt overeen met wat ik in mijn vorige post aanhaalde als een argument tegen de normatieve kant van van Kesteren’s conclusie, namelijk dat men niet simpelweg de norm van traditionele media kan opleggen op nieuwe media journalistiek.

Blood karakteriseert weblogs met de twee volgende eigenschappen. Weblog posts verschijnen in omgekeerde chronologische volgorde (de laatste post is degene die je het eerste tegenkomt op de webpagina) en hyperlinks zijn een fundamenteel aspect van elke post. Door hyperlinks te gebruiken kunnen bloggers snel en kort hun zeg doen over complexe zaken en artikels (61). Deze links bepalen de norm achter blog-berichtgeving. Zonder deze hyperlinks zijn blogposts niet transparant en zijn ze vervolgens intellectueel oneerlijk. Dit is dus een norm die heerst in de blogger-community, volgens Blood. Blood ziet deze norm als anders van de gangbare normen in journalistiek. Alleen als een blog geschreven is door een journalist die werkt voor een persagentschap en als de blog dezelfde normen volgt als die van het agentschap dan valt de blog onder de noemer van journalistiek (ibid).

Volgens Blood vallen de meeste blogs die op het eerste zicht als journalistiek gekwalificeerd zouden kunnen worden niet onder deze noemer omdat ze het onderzoek van iemand anders gebruiken, waar ze een hyperlink naar geven (62). Journalistiek verschilt hiervan omdat “geloofwaardige journalisten” zelf research doen zoals interviews afnemen en experts ondervragen (ibid). Bloggers, aan de andere kant, nemen deze research van journalisten over en becommentariëren de journalist zijn conclusies en de originele research. Een argument tegen Blood’s stelling is dat terwijl de taakverdeling anders is, men nog altijd de vraag kan stellen of dit verschil duidt naar een essentieel karakterpunt van journalistiek. Men kan zeggen dat de blogger hetzelfde doet als de journalist, alleen gebruikt hij een secundaire bron in de plaats van een primaire bron.

Een blogger aan het woord

Laten we voor nu het laatste theoretische punt aan de kant leggen en kijken naar journalistiek en weblogs nu, tien jaar na Blood’s artikel (en haar boek ‘The Weblog Handbook’). In een artikel voor WANIFRA (Stepanek 2011), vat Ashley Stepanek een interview samen waarin Laura Hlebasko van Benzinga Felix Salmon, die een blog bijhoudt voor Reuters, de vraag stelt of weblogs het journalistieke landschap veranderen. Een initiële opmerking is dat Stepanek’s artikel, dat een post is op een blog (namelijk de ‘editor’s weblog‘), een duidelijke instantie is van Blood’s karakterisering van weblogs. Het is namelijk een post over een interview en dus een secondaire reactie op de research, namelijk het interview, van iemand anders.

In het interview duidt Salmon op verschillen tussen blogs en journalistiek die nog niet aan bod zijn gekomen. Ten eerste klinkt een blogpost meer als een gesprek dan een traditioneel artikel omdat posts worden geschreven in dialoog met andere blogs en met eerdere posts van dezelfde blog. Ten tweede, het aspect van de hyperlinks maakt de blogs interactiever en uiteindelijk mogelijk ook informatiever voor de lezer. Het laatste kunnen we betwisten omdat de informatie tweedegraads is, en de post zelf is dus niet noodzakelijk informatiever sinds, zoals Blood opmerkt, veel posts refereren naar de info die men vindt in traditionele artikels. Het derde verschil is dat blogposts niet worden nagekeken door een redacteur en dat dit, tesamen met het verschil in referenties naar meerdere bronnen van informatie, het blog medium eerder kwantitatief maakt dan kwalitatief. Dit verschil komt ook naar voor in hoe een journalist zijn artikel zo goed mogelijk wilt afmaken vóór een bepaalde deadline terwijl de blogger even snel over iets kan posten en dan later met andere posts, en in dialoog met andere blogs en commentaren, er dieper op in kan gaan. Het kwaliteitsverschil ligt dus niet noodzakelijk in het eindproduct maar eerder in de aanpak van de schrijver. Een vierde verschil is dat bloggers eerder gaan posten over nieuws dat al wijdverspreid is omdat ze dan een beter overzicht hebben op het debat omtrent het nieuws. Dit overzicht brengt het voordeel met zich mee dat bloggers een objectiever beeld kunnen schetsen omdat ze het nieuws van verschillende kanten kunnen bekijken. Volgens Salmon kan je met blogs ook dieper gaan in je onderzoek en in de discussie sinds de blogpost geen woordlimiet of vaste template heeft. Wat hier ook aan toedraagt is dat bloggers ook vaak experten zijn in hun veld.

Het interview draagt als titel de vraag ‘Of weblogs journalistiek veranderen?’ maar tot nu toe heeft Salmon eerder gewoon verschillen tussen bloggers en traditionele journalisten opgemerkt. Deze verschillen kunnen de thesis dat journalistiek en weblogs andere soorten media zijn ondersteunen, zoals Blood zou argumenteren, maar ze kunnen ook gewoon verschillen binnen hetzelfde soort medium aanduiden. Aan het einde van het interview geeft Salmon de indruk dat hij eerder voor deze laatste thesis opteert. Wanneer Hlebasko hem vraagt of er aspecten zijn van journalistiek die nooit zouden veranderen ongeacht welke technologische evoluties en verandering er aan komen geeft Salmon het volgende antwoord:

I think that depends on what you mean by journalism. Professional journalists should always be beholden to high standards of professionalism, ethics, and accuracy. Random people with a Twitter account, not so much. And of course there’s a spectrum between the two, there isn’t a bright line.

Eén aspect van dit, nogal ontwijkende, antwoord dat we al eerder hebben besproken is dat er een verschil is in de normen en waarden tussen ‘vakjournalistiek’ en ‘leekjournalistiek’. Twee geheel nieuwe aspecten, die trouwens aanleunen aan mijn commentaren op de theorieën van Blood en van Kestern, is dat Salmon de betekenis van het woord journalistiek in vraag trekt en dat hij aanneemt dat er een spectrum van normen en waarden kan zijn tussen vak- en leekjournalistiek.

Salmon’s antwoord verschilt dus van de conclusies van Blood en van Kesteren. Voor Blood is er een duidelijk verschil tussen bloggers en journalisten wanneer het gaat over normen en voor haar zijn bloggers simpelweg geen journalisten. Voor van Kesteren zal de journalist altijd nodig zijn om journalistieke normen toe te passen op burgerjournalistiek. Voor Salmon zijn er verschillen tussen bloggers en journalisten maar deze verschillen liggen op een spectrum en ze kunnen dus niet echt gebruikt worden om te zeggen dat bloggers geen journalisten zijn.

Bibliografie

Blood, R. (2003), ‘Weblogs and Journalism: Do They Connect?’, in Nieman Reports Vol. 57, No. 2, Fall 2003; 61-63

Matheson, D. (2004) ‘Weblogs and the Epistemology of the News: Some Trends in Online Journalism’, New Media & Society 6: 443–68.

Regan, T. (2003) ‘Weblogs Threaten and Inform Traditional Journalism’, Nieman Reports 57(3): 68–70.

Rosen, J. (2005) ‘Bloggers vs. Journalists is Over’, PressThink, 15 January, URL (http://journalism.nyu.edu/pubzone/weblogs/pressthink/2005/01/15/berk_pprd.html)

Stepanek, A. (2011) Are blogs changing journalism? A response from Felix Salmon of Reuters URL (http://www.editorsweblog.org/2011/03/17/are-blogs-changing-journalism-a-response-from-felix-salmon-of-reuters)